Home

Het gebouw van de zon

Dat het hoofd dwaalt en verftubes slingeren
In een heelal dat altijd landt op doek, canvas.
Tentzeil van de bejaarde schilder, die knipt,
Scheurt, schikt. De blauwe was van verleden

Kleren. Het zweet en het vloeken. Huidgeur
En roos en de vergeten woorden die altijd aan
Textiel kleven. Slijm dat zich in vreet. Het
DNA van het schilderij. De lakmoesproef.

Korenveld is herinnering aan het zo droge zand
Dat opwaait bij iedere voetstap. Gouden
Augustus, waar de korrels hard in de halm en
Zonmesscherp de akkers sneden van het blauw.

Oogpijn en het stof in de neus. Wat je daar deed
Alleen - op je fiets op dat rulle zandpad? Niets.
Je legde je tussen het koren, wiegde in ruis en
Verdween, omdat moest komen niet verscheen.

Het verdwazen in licht, zoemen en neuriƫn
In weerwil van de kronkelpaden. De wegen
Of de huizen, die er niet toe doen. De wegen
Schofferen van de wetten die dag en nacht

Scheiden. De stilte schilderen en het ogenpijn.
Alles wat huilt schittert in het helder en woord,
Verdwijnt in de obscene schoonheid van verf.
Wij moeten zwijgen. Eerbiedig zwijgen en kijken.

Hans van de Waarsenburg